November 04, 2026

Meer keuze, meer samenhang in het vmbo: lessen uit het PIE-BWI-experiment

Al langer is duidelijk bij het ministerie van OCW: er moet iets veranderen aan het vmbo. In een eerder artikel schreef ik al over de noodzaak van deze veranderingen: het huidige stelsel van tien beroepsgerichte profielen leidt tot een zeer beperkt keuzeaanbod voor leerlingen. Dit komt doordat scholen vaak maar enkele van de tien profielen aanbieden en doordat leerlingen hun keuze voor een middelbare school niet baseren op het profielaanbod van die school. Dat moet anders, vinden veel scholen en ook het ministerie van OCW. Maar hoe?


Eén van de manieren om te onderzoeken wat de mogelijkheden voor de toekomst zijn is het PIE/BWI-experiment. Dit experiment loopt momenteel bij ongeveer 30 vmbo-scholen in Nederland. Deze scholen voegen het profiel PIE (Produceren, Installeren & Energie) en het profiel BWI (Bouwen, Wonen & Interieur) samen. Het doel van het experiment is dat leerlingen bewuster, meer gemotiveerd en beter voorbereid kiezen voor een vervolgopleiding op het mbo. De kaders voor dit experiment zijn ruim: zo kan iedere school naar een manier zoeken waarop dit samenvoegen praktisch werkt, docenten ondersteund worden en aansluit bij de visie van de school.

Onderzoek naar zeven PIE/BWI-experimenten

In schooljaar 2023-2024 startten de eerste leerlingen in het PIE/BWI-experiment. Nu wil het ministerie graag weten wat er op de experiment-scholen gebeurt en wat ze daarvan kunnen leren. Levert dit experiment inzicht op in de succesfactoren en de uitdagingen die scholen tegenkomen? Hoe zorgen de scholen ervoor dat de kwaliteit gewaarborgd blijft, keuzevrijheid biedt én hun visie ondersteunt? In opdracht van de Federatie Techniek en Vakmanschap voerde Nehem een onderzoek uit bij zeven scholen in het experiment.

Verschillen tussen de scholen

Lisette Arbeider en Kimberly Abraas van Nehem voerden het onderzoek uit. De onderzoekers zijn langs de zeven scholen gegaan om betrokkenen te interviewen en een kijkje in de keuken te nemen. Uit het onderzoek kwam naar voren dat scholen het experiment vanuit twee perspectieven benaderen: als organiserend principe en als inhoudelijk principe. Lisette licht toe dat de kern van het verschil tussen de scholen zit in de manier waarop het aanbod op de scholen wordt gestructureerd en georganiseerd en hoe er inhoudelijk invulling wordt gegeven aan het onderwijs.

Lisette: “Sommige scholen kiezen voor het integreren van PIE en BWI-onderdelen in een realistisch project, sommige zelfs in samenwerking met het bedrijfsleven. Zo’n project is heel herkenbaar. Je werkt dan niet aan een PIE- of BWI-module, maar je werkt bijvoorbeeld aan het installeren en inrichten van een badkamer. Andere scholen kiezen voor een methode die de PIE- en BWI-elementen nog wel los van elkaar aanbiedt. We zagen ook dat de keuzevrijheid voor de leerling op sommige scholen heel breed is en op andere scholen minder. Hierin zie je de visie van de school terug: de school vindt het dan bijvoorbeeld belangrijk dat de leerling heel breed mag kiezen. Anderzijds hebben scholen ook te maken met de praktische haalbaarheid: het kost veel flexibiliteit van roosters, aanpassing van de fysieke leeromgeving en docenten om maximale keuzevrijheid te kunnen bieden.”

Uit het onderzoek komen drie uitvoeringsmodellen, waarin het organiserende en het inhoudelijke principe tot uiting komen:

  • Het geïntegreerde projectmodel: er is samenhang tussen de profielen en er wordt gewerkt met levensechte beroepssituaties. De PIE- en BWI-vaardigheden worden gecombineerd in grotere projecten.
  • Het flexibele persoonlijke routemodel: er is veel ruimte voor maatwerk, keuzevrijheid en heroriënteren.
  • Het gestructureerde brede-basismodel: er is een vaste brede basis met begrensde keuzes, wat zorgt voor een duidelijk en organiseerbaar model.

Kimberly licht toe hoe deze modellen uit het onderzoek naar voren kwamen: “Tijdens de analyse zag ik dat twee dimensies als een rode draad door de resultaten liepen: de integratie van PIE en BWI en de keuzevrijheid voor de leerling. De mate van integratie en keuzevrijheid heeft implicaties voor de school: hoe organiseer je het, wat is de opbrengst, welke risico’s zijn er? Zo maakt iedere school steeds een eigen keuze binnen het experiment. Er is dus ook niet een ‘beter’ model: een model moet vooral passen bij de omgeving, mogelijkheden en visie van de school.”

Het onderzoek is klaar: en nu?

Ik interview Ton de Groot en Edo Regtop van de Federatie Techniek en Vakmanschap, opdrachtgevers van het onderzoek, nadat het onderzoek is afgerond.

Wat viel jullie op aan de resultaten van het onderzoek?

Ton: “Er zijn hele duidelijk succeselementen aan te wijzen. Scholen waarbij de schoolleiding een duidelijke visie heeft, en voldoende ondersteuning geeft aan het docententeam, zijn succesvol in het experiment. Docenten zijn enthousiast, weten wat er van ze verwacht wordt. Het onderzoek bevestigt dat het ook met een flexibeler programma mogelijk is om eigentijds en organiseerbaar onderwijs te bieden.”

Edo: “Hoewel leerlingen zelf niet bevraagd zijn in dit onderzoek, lees je toch wel dat leerlingen meer gemotiveerd en trots zijn, met name bij scholen waar ze levensechte opdrachten uitvoeren.”

In hoeverre zijn de modellen ook toepasbaar op andere experimenten, zoals het experiment Z&W/HBR?

Ton: “Wat volgens mij van belang is om die modellen ook toe te passen op andere experimenten is dat er goed zicht is op de ontwikkelingen in regio binnen de branches van Z&W en HBR. En de samenwerking met het bedrijfsleven. Dat is binnen de technische branche goed ontwikkeld.”

Wat zegt het onderzoek over de samenwerking met het mbo?

Ton: “Je kunt uit het onderzoek concluderen dat er weinig samenwerking is tussen vmbo en mbo. Dat had ik niet verwacht. Contacten zijn vaak afhankelijk van personen. Eigenlijk moeten hier duidelijke landelijke richtlijnen voor komen. Goede samenwerking tussen vmbo, mbo en bedrijfsleven is echt voorwaardelijk voor goed onderwijs.”

Edo: “Het mbo geeft aan dat er veel variëteit zit in de leerlingen die zij krijgen. Dat kan soms lastig zijn. Maar de modellen [uit het onderzoek] gaan niet de richting op van meer uniformiteit. Samenwerken is dus nodig om die aansluiting tussen vmbo en mbo te bevorderen.

Wat hopen jullie voor het toekomstig PIE- en BWI-onderwijs?

Ton: “Ik hoop dat we op tijd zijn: met het neerzetten van een flexibel onderwijssysteem dat sneller kan reageren op technologische ontwikkelingen uit het bedrijfsleven. Ondertussen krimpen de leerlingaantallen, vergrijst het docentenbestand en kunnen scholen niet meer alle profielen in de lucht houden.

Dit onderwijs blijft nodig. Kijk maar naar bruggen die op instorten staan en woningen die gebouwd moeten worden. De ontwikkelingen gaan snel: we kunnen nu niet bedenken hoe de wereld er over 10 jaar uitziet, maar we weten wel dat technici nodig zullen zijn. Ik hoop dat de samenwerking met het mbo en het bedrijfsleven verbeterd wordt en dat scholen steeds meer vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid vormgeven aan het onderwijs, zonder elkaar als concurrenten te zien.”

Onze expert

Annika Brandenburg is consultant bij Nehem, onderdeel van PNO Innovation.

Hoe kunnen we je helpen?

Ontdek hoe onze specialisten jouw innovatie verder brengen.

    * Verplichte velden

    This site is protected by reCAPTCHA and the Google Privacy Policy and Terms of Service apply.