De laatste tijd is er een duidelijke verschuiving zichtbaar: openstellingen zoals ‘Schone en hulpbronnenefficiënte technologieën’ binnen EFRO-Oost en de aangekondigde defensieopenstelling in Zuid-Nederland laten zien dat subsidiegelden steeds minder “breed” worden ingezet en juist steeds vaker worden gekoppeld aan een concreet strategisch doel en een scherp afgebakende sectorfocus. Dat is geen toeval, maar een logische reactie op toenemende geopolitieke en economische druk. Overheden willen sneller opschalen in sleuteltechnologieën en kritieke ketens en richten hun middelen daarom doelbewust in, voor bijvoorbeeld defensie- of netcongestie-oplossingen.
Voor Oost Nederland is de boodschap helder: wie projecten en samenwerkingen nu al positioneert binnen deze strategische thema’s, vergroot straks aantoonbaar de kans op financiering én op structurele groei in de regio. Ook voor bedrijven buiten deze sectoren kan deze scherpere subsidiefocus kansrijk zijn, omdat samenwerking met partijen binnen de prioritaire ecosystemen toegang geeft tot subsidie én tegelijk een nieuwe groeimarkt en afzetkanaal opent.
Waar subsidies voorheen vooral bedoeld waren om algemene innovatieprojecten te stimuleren, is er momenteel een trend zichtbaar dat publieke gelden steeds meer gefocust worden ingezet. Een mooi voorbeeld is het EFRO-programma. Toen het huidige programma in 2021 werd gepubliceerd, waren de openstellingen uitsluitend bedoeld voor algemene innovatieprojecten om de innovatiekracht in Oost-Nederland te versterken. Alhoewel dit programma inzet op innovatieprojecten binnen crossovers tussen de food, health, tech, materials en clean sectors, zijn dit juist de sectoren die al goed vertegenwoordigd zijn in Oost-Nederland. Projecten vallen daarmee relatief eenvoudig binnen één van deze crossovers.
Oost-Nederland (Overijssel en Gelderland) is met vijf gemeentes goed vertegenwoordigd in de landelijke top tien van meest innovatieve gemeenten in 2025. De regio onderscheidt zich door combinaties van sectoren. Hierbij is Oost-Nederland momenteel voornamelijk goed vertegenwoordigd in de maakindustrie, bouw, hightech, ICT en agrifood. Tegelijkertijd wordt er ook veel geïnvesteerd in bijvoorbeeld nieuwe (hightech) technologieën, zoals quantum technologie en de chipindustrie. Denk aan de recente investering van 100 miljoen euro in het bedrijf New Origin voor het bouwen van een fabriek voor fotonische chips. Vanwege de strategische ligging is Oost-Nederland de ideale plek om een hightechbedrijf te vestigen of beginnen. De regio beschikt over unieke kennis in fotonica, sterke banden tussen universiteit en industrie én een (informeel) netwerk dat samenwerken omarmt. Bovendien ligt de regio strategisch: binnen een paar uur ben je in de belangrijkste innovatiehubs van Nederland en Duitsland.
De nieuwe fabriek van New Origin moet gezien worden in een bredere context. De fabriek wordt een zogeheten open fabriek dat als katalysator voor de regio moet dienen. De fabriek gaat namelijk geen eigen producten produceren en verkopen aan consumenten, maar gaat in plaats daarvan chips produceren in opdracht van andere bedrijven. Dit verlaagt de drempel voor innovatie, doordat startups en jonge techbedrijven niet langer zelf miljoenen hoeven te investeren in productielijnen, maar hun ontwerp simpelweg kunnen sturen naar New Origin.
Dit voorbeeld geldt als één van de vele aanzuigende effecten voor Oost-Nederland. Niet alleen voor lokale partijen, maar de verwachting is ook dat internationale bedrijven naar Oost-Nederland zullen trekken vanwege deze faciliteiten. Investeringen in nieuwe fabrieken en technologieën creëert een ecosysteem waar ontwerp, productie en kennis elkaar versterken. Bovendien is Europa op dit moment te afhankelijk van Azië en de Verenigde Staten voor essentiële chiptechnologie. De coronacrisis en recente handelsconflicten hebben de kwetsbaarheid van de chipketens blootgelegd. Brussel en Den Haag zetten daarom zwaar in op technologische soevereiniteit. Dit is de reden dat ook de provincies Overijssel en Gelderland maar al te graag investeren in initiatieven die deze soevereiniteit bevorderen en versterken.
De investering in chiptechnologie is slechts een voorbeeld van de strategische wegen waarin Oost-Nederland zal investeren. Ook digitalisering van productieprocessen, decentrale energiesystemen, betaalbare zorgsystemen, duurzame voedselproductie en dual-use defensietechnologie zijn voor Oost-Nederland belangrijke strategische thema’s.
De provincies Overijssel en Gelderland zijn momenteel bezig met het vormgeven van het nieuwe EFRO-programma 2028-2034. De verwachting is dat publieke gelden beschikbaar komen voor projecten die passen binnen de hierboven genoemde strategische thema’s en trends. De technologie-agenda van Oost-Nederland is sterk gestuurd door maatschappelijke transities, regionale sterktes en Europese beleidslijnen. Hierbij zullen publieke investeringen vooral terechtkomen in ecosystemen (clusters, fieldlabs, hubs), opschaling van bewezen technologie (van pilot naar markt) en cross-sectorale innovaties met maatschappelijke impact. Op basis van bestaande beleidslijnen en de zichtbare technologische trends, zijn dit de belangrijkste trends die Oost-Nederland waarschijnlijk verder gaat prioriteren en waar subsidies zich op zullen richten:
Waar vroegere EFRO-openstellingen nog relatief generiek waren, is het dus de verwachting dat het nieuwe programma zich meer gaan specificeren in deze sectoren. Deze trend is al zichtbaar binnen de Kennis- en Innovatieagenda’s (KIA’s) die worden gehanteerd bij de MIT-aanvragen. De Nederlandse KIA’s zijn gezamenlijke plannen van de overheid, bedrijven en onderzoekers om slimme oplossingen te ontwikkelen voor belangrijke maatschappelijke uitdagingen, zoals gezondheid, duurzaamheid en technologie. In zowel Overijssel als Gelderland zijn de KIA’s de laatste jaren steeds verder afgebakend. Dit hoeft echter niet per definitie te betekenen dat er steeds minder bedrijven en projecten in aanmerking komen voor subsidie. Ondanks dat subsidiegelden meer en meer terechtkomen in de sectoren die van groot belang zijn voor de regio, kunnen ook bedrijven vanuit andere sectoren hiervan profiteren (o.a. nieuwe groeimarkten). Door actief de samenwerking op te zoeken met andere bedrijven in de hierboven omschreven sectoren, kunnen bedrijven buiten deze sectoren alsnog in aanmerking komen voor subsidie én hebben ze gelijk een nieuwe afzetmarkt na succesvolle afronding van het subsidieproject. Daarnaast kunnen subsidies in specifieke sectoren ook een aanzuigend effect hebben, ook voor de bedrijven die initieel niet gebruik kunnen maken van deze gelden, omdat dit kan leiden tot meer werkgelegenheid, nieuwe innovatiehubs, versterkte ecosystemen en meer economische welvaart in de regio.
Door gerichter subsidiegelden beschikbaar te stellen voor de projecten die voor de regio van het grootste strategische belang zijn, profiteren dus niet alleen bedrijven binnen deze sectoren hier direct van, maar heeft dit ook op de (middel)lange termijn positieve gevolgen voor de algemene economie van Oost-Nederland en daarmee de gehele regio.
Bram Lemmens is consultant bij PNO Innovation in Oost-Nederland.
15/04/2026
07/04/2026
Ontdek hoe onze specialisten jouw innovatie verder brengen.
Ik ga akkoord met de privacyverklaring
* Verplichte velden
This site is protected by reCAPTCHA and the Google Privacy Policy and Terms of Service apply.
Denk aan het milieu voordat je gaat printen
Printen